Opinie: Het VFL. Een doorn in het oog van schrijvend Vlaanderen?

helens-writer-logo-for-mag
Onlangs verscheen in Het Nieuwsblad een ophefmakend artikel met als titel 'De Win For Life Boekenclub', over het Vlaams Fonds voor de Letteren en de manier waarop zij subsidies toekent aan auteurs die zij literair waardevol acht. In het artikel werden een reeks auteurs — grote namen zoals Leonard Nolens, maar ook schrijvers waar amper iemand over gehoord heeft — haast als criminelen en profiteurs afgebeeld; auteurs die op kosten van de belastingbetaler een schrijversleven leiden waar velen jaloers op zijn. Het resultaat was dan ook een hevige discussie op sociale fora en in de grote media, waar krasse beschuldigingen en botte replieken een ernstig debat in de weg stonden.

Kirstin Vanlierde, journaliste en redactrice, schreef een boeiend opiniestuk op haar website kirstinvanlierde.wordpress.com met als titel 'Het schisma van Boekenland', waar ik graag op wil reageren. Bij deze.

Om te beginnen, wil ik graag aanhalen dat er zaken in haar tekst staan waar ik het absoluut mee eens ben. Zo vind ik dat de manier waarop sommige auteurs in het artikel van Het Nieuwsblad ten tonele werden gevoerd ook niet netjes. Zij treffen immers geen schuld. Daarnaast mag ook gezegd worden dat het VFL op sommige gebieden zeer goed werk levert met, inderdaad, erg beperkte middelen. Zo zijn er de vertaalsubsidies en de gesubsidieerde lezingen waar de meeste auteurs voor in aanmerking komen. Het zijn kleine, maar erg belangrijke dingen, waardoor het geschreven woord en de makers ervan gemakkelijker kunnen benaderd worden door het grote publiek.

Maar er zijn andere, cruciale elementen waar de manier van werken van het VFL schromelijk tekortschiet. Eigenlijk zitten ze mooi verpakt in de volgende zin uit het artikel van Vanlierde, waarin ze de taak van het VFL omschrijft: 'Het is hun job om het soort literatuur dat het op de commerciële markt zeer moeilijk heeft maar kwalitatief bijzonder waardevol is, een duwtje in de rug te geven, omdat er anders veel kans is dat het er gewoon niet zou zijn.' Buiten het feit dat een markt, ook de boekenmarkt, altijd commercieel is — dat is immers inherent aan een markt — moet de vraag worden gesteld wat kwalitatief bijzonder waardevolle literatuur is. De tweede vraag die daaruit voortvloeit is: is het subsidiëren van auteurs wel de manier om literatuur die het moeilijk heeft in leven te houden?

Laat ik met die tweede vraag beginnen. Ik ben een schrijver van duistere thrillers, gothic novels; een genre dat in de Lage Landen nauwelijks wordt beoefend. Mijn boeken worden door pers en lezers haast unaniem lovend onthaald en, in vergelijking met veel andere auteurs, mag ik over de verkoop van mijn boeken absoluut niet klagen. Maar ik kan niet leven van de pen, en daarom heb ik een voltijdse baan. Ik ga elke weekdag braaf werken en schrijf tot in de late uurtjes verder aan mijn oeuvre. Dat wil echter niet zeggen dat dat altijd even gemakkelijk is, en dat ik mij niet erg graag voltijds op mijn schrijverschap zou willen concentreren. Dat is immers de ambitie van elke schrijver, terwijl de realiteit aangeeft dat daartoe slechts een handvol succesauteurs in staat zijn. (Voor de duidelijkheid: als een boek 20 euro kost, krijgt de auteur daar ongeveer 2 euro van. Een schrijver moet dus in principe 12.000 boeken per jaar verkopen om van de pen te kunnen leven als hij een maandloon van 2.000 euro wil verdienen, maar in werkelijkheid moet hij/zij zich vaak met 1000 à 2000 exemplaren tevredenstellen.) Vanlierde schrijft in haar artikel dat door sommige auteurs te subsidiëren er voor hen meer tijd en ruimte voor creativiteit ontstaat. Dat zal zeker en vast wel zijn, maar ik vraag mij af of men daarmee het oeuvre van de auteur in stand houdt en bevordert. Ik denk het niet. Ik ben er vast van overtuigd dat, ik noem maar iemand, Leonard Nolens niet zal stoppen met dichten mocht hij maandelijks niet toekomen met zijn centen. Ik denk ook niet dat het werk van een genie als Nolens aan kwaliteit zal inboeten, moest hij genoodzaakt zijn om andere activiteiten te ondernemen om de kaas tussen zijn boterham te kunnen betalen. Wat mij daarnaast ook stoort, is dat er met een plafond wordt gewerkt. Het VFL kent namelijk geen subsidies toe aan personen die meer dan 40.000 euro per jaar verdienen. Omgerekend wil dat zeggen dat wie meer dan 3.333 euro per maand aan inkomsten heeft op de verkoop van zijn boeken en alle daarbij horende nevenactiviteiten geen subsidie krijgt. 3.333 euro per maand? Dat is voor veel mensen een bijzonder hoog bedrag, en dat impliceert dat iemand die 3.000 euro per maand verdient nog steeds aanspraak maakt op subsidie.

Ik durf het volgende voorstellen: zou dat geld niet op een veel efficiëntere manier kunnen worden geïnvesteerd? Als men die Hoge Literatuur — waarover hieronder meer — in stand wil houden, is het dan niet beter om, bijvoorbeeld, de uitgever van Leonard Nolens te subsidiëren, zodat die meer budget krijgt om het uitstekende werk van de auteur onder de aandacht van het potentiële publiek te brengen? Of zou men op die manier een uitgever niet kunnen aanmoedigen om minder voor de hand liggende parels op de markt te brengen, auteurs die alle kansen verdienen, maar geen uitgever vinden, omdat hun potentiële marktwaarde nihil is? Of, als men auteurs toch een extra steuntje in de rug wil geven, kan men met dat geld geen degelijk leenrechtsysteem financieren, zoals dat in Nederland het geval is? Toegegeven, we hebben sinds een paar jaar een gelijkaardig systeem in België, maar het levert de auteurs nauwelijks iets op. De pot is namelijk veel te klein. In ieder geval, er bestaan voldoende manieren om veel meer auteurs op een sociaal aanvaardbare manier te laten genieten van dergelijke subsidies.

Een ander en nog veel belangrijker aspect betreffende het probleem van het VFL is de manier waarop men binnen de organisatie denkt over literatuur. Enkel die auteurs komen in aanmerking wiens werk kwalitatief bijzonder waardevol is. Daarmee bedoelt men, zoals Vanlierde in haar artikel poneert, de auteurs die Hoge Literatuur bedrijven, in hedendaagse discours ook wel gewoon literaire fictie genoemd. Hier maakt het VFL volgens mij een cruciale denkfout, omdat men er verkeerdelijk van uitgaat dat bijzonder waardevolle literaire kwaliteit enkel kan teruggevonden worden in literaire fictie. Dat is simpelweg fout. Meer nog, het is een anti-intellectuele manier van denken.

Writing-Clip-Art
Ik kan hier de ontstaansgeschiedenis van de termen Hoge en Lage Literatuur uitvoerig beschrijven en ze constructief ontmantelen, maar daar is deze tekst niet voor geschreven. Daarom een korte samenvatting. Met Hoge Literatuur wordt naar goede gewoonte literaire fictie bedoeld. Met Lage Literatuur wordt genreliteratuur bedoeld. De terminologie impliceert dat literaire fictie per definitie waardevoller en kwalitatiever is dan genreliteratuur, iets waarvan iedere gezond denkende mens anno de eenentwintigste eeuw weet dat dat niet klopt. Daar denkt men zelfs in academische, literatuurwetenschappelijke kringen tegenwoordig anders over. Men zal daar vandaag veeleer stellen dat literaire fictie een genre, een soort literatuur is die even onderhevig is aan terugkerende elementen en motieven als dat het geval is in genreliteratuur, zij het dat die elementen en motieven vaak moeilijker te beschrijven zijn. Er is echter geen duidelijk kwaliteitsverschil in literaire fictie vast te stellen ten opzichte van genreliteratuur, noch is er geen bewijs voor de these dat literaire fictie per definitie een meerwaarde biedt. Kortom, er wordt evenveel bagger geschreven in de Hoge als in de Lage Literatuur. Het enige grote verschil tussen genreliteratuur en literaire fictie is dat het laatste veel meer prestige geniet dan het eerste, maar dat heeft helaas niets met kwaliteit te maken, maar met het ego dat gestreeld wordt wanneer de persoonlijke smaak door een bepaalde gemeenschap — vroeger de bourgeoisie — op positieve wijze erkend wordt.

Met andere woorden, Stefan Hertmans, Pieter Aspe, Herman Brusselmans, Kristien Hemmerechts, Guido Eekhaut, Tom Lanoye, of ondergetekende: iedereen hoort gelijk voor de wet te zijn. Een thriller, een historische roman, een kinderboek, een fantasyverhaal, een griezelverhaal: ze hebben allemaal evenveel potentiële kwaliteiten. Immers, is 'Misdaad en straf' van Dostojewski niet een meesterlijke psychologische thriller? Literaire kunst is niet genregevoelig. Er is alleen een literair genie voor nodig. Willem F. Hermans was zo iemand, net zoals Harry Mullisch, Stephen King, Jef Geeraerts en John Flanders/Jean Ray.

Het VFL denkt daar echter radicaal anders over. Met haar enge, anti-intellectuele visie over literatuur, schuwt ze, wanneer ze aanvragen beoordeelt, vele soorten literatuur omdat ze alleen kwaliteit toekent aan literaire fictie. Een heleboel auteurs worden op die manier op voorhand uitgesloten, en dat is niet correct. Wie op een dergelijke manier over literatuur denkt, wie op basis van soort een waardeoordeel vormt, denkt over de wereld van het geschreven woord als een racist over onze samenleving.

Het VFL voert als argument aan dat ze op die manier de canon verder wil opbouwen, maar dat houdt helaas geen steek. Elke literatuurwetenschapper weet immers dat een canon niet op zo'n manier ontstaat. Een canon groeit met de tijd en met het collectief geheugen, en daar mogen best wel enkele decennia over heengaan. Ik geef een cru voorbeeld. Toen enkele jaren geleden H.P. Lovecraft, auteur van sci-fi en horrorverhalen die voornamelijk in pulpbladen werden gepubliceerd, werd gecanoniseerd, keken veel literatoren vreemd op, maar Lovecraft behoort tot het Amerikaanse cultureel erfgoed, en daar valt niet naast te kijken. Zou men in de Lage Landen over vijftig jaar hetzelfde kunnen zeggen over (met alle respect) Stefan Hertmans? Hopelijk wel, maar misschien ook niet. En met alle goede wil van de wereld: het VFL mag niet pretenderen om dergelijke canonvorming te kunnen sturen, want dat is simpelweg onmogelijk.

Laat me afsluiten met het volgende. Ik ben een schrijver van historische, duistere thrillers. Ik werk erg had aan de literaire kwaliteit van mijn boeken, want ik gruwel van de idee dat een thriller vooral vaart en een goede plot moet hebben, en minder aandacht hoeft te besteden aan de literaire elementen van een fictionele tekst. Onzin! Ik heb echter nog nooit een dossier ingediend bij het VFL, omdat ik weet dat men mijn boeken nooit zal accepteren, omdat ze van een, althans voor hen, minderwaardige soort zijn. En dat is niet eerlijk. Het stoort mij dan ook dat het VFL zich toch in allerlei bochten wringt om hun beslissingen goed te praten met argumenten die eigenlijk weinig steekhouden. Let wel, Vlaanderen heeft het VFL nodig, en er worden wel degelijk goede initiatieven genomen. Maar er moet radicaal anders worden gedacht over literatuur, en over hoe men een beperkt budget efficiënter kan inzetten, want een auteur zal absoluut niet minder kwalitatief werk creëren zonder die 1.800 euro die hij elke maand krijgt uitbetaald. Schrijvers schrijven nu eenmaal, waar en wanneer ze kunnen, of ze nu Leonard Nolens, Jo Claes of Lize Spit heten. Noem het een compulsieve gedragsstoornis, als u wil. En al die arme stakkers, die niet beter weten, en van ons literaire landschap zo'n kleurrijke en diverse omgeving maken, verdienen allen wat morele en financiële steun. Niet alleen de potentiële Shakespeares en Multatulis, maar ook de toekomstige Lovecrafts.

Addendum: Het bestuur van de Vlaamse Auteursvereniging liet zopas weten dat ze zich schaart achter het opiniestuk van Kirstin Vanlierde. Persoonlijk vind ik dat een beetje ongepast. De VAV heeft als 'schrijversvakbond' de taak om de belangen van al haar auteurs te behartigen, en het is niet netjes om op die manier de mening van het leeuwendeel van haar leden te negeren.

Kevin Valgaeren

Valgaeren schrijft column voor Thrillerlezers

bekentenissenboekhandelaar


Naast schrijver is Kevin Valgaeren overdag vooral erg productief in de boekhandel waar hij werkt. Daarom vroeg de redactie van het online boekenmagazine Thrillerlezers onlangs of hij het zag zitten om een column te schrijven over het leven als boekhandelaar, al was het maar omdat veel boekenliefhebbers denken dat werken in een boekhandel het walhalla moet zijn. Het resultaat is een maandelijkse column geworden die u vanaf 3 juni op de website van Thrillerlezers kan lezen. Elke eerste zondag van de maand volgt een nieuwe bijdrage onder de titel ‘Bekentenissen van een boekhandelaar’. De eerste aflevering kan vindt u hier.

Signeersessies Blackwell

Naar aanleiding van de publicatie van Valgaerens nieuwe gothic novel, vinden er dit voorjaar in heel Vlaanderen signeersessies plaats. Voor een persoonlijke boodschap in uw exemplaar en een gezellige babbel met de auteur, kan u de komende weken terecht op de volgende locaties.


Zaterdag 31 maart

11:00 tot 12:00 uur: Standaard Boekhandel
Schilde (Turnhoutsebaan 334)
13:30 tot 14:30 uur: Standaard Boekhandel
Mol (Statiestraat 39A)
15:30 tot 16:30 uur: Standaard Boekhandel
Oud-Turnhout (Dorp 16)


Zaterdag 28 april

15:00 tot 17:00 uur: Standaard Boekhandel
Leuven (Diestsestraat 127)


Zaterdag 2 juni

14:00 tot 16:00 uur: Standaard Boekhandel
Turnhout (Sint-Antoniusstraat 18-22)


Zaterdag 9 juni

14:30 tot 16:00 uur: Standaard Boekhandel
Brasschaat (Bredabaan 316)

Het programma kan nog onderhevig zijn aan veranderingen.




'Blackwell' nu overal verkrijgbaar.

Blackwell cover low res
Eindelijk is het zover. Vanaf vandaag ligt Blackwell, de vierde duistere thriller van Kevin Valgaeren, overal in de boekhandel. Eerstdaags verschijnt ook het e-book.

Een legendarisch schip. Een gruwelijk geheim. Een duister verleden.

1891. Tijdens de mistige nacht van Pasen slaat een schip tegen de klippen in het vissersdorpje Whitby. Aan boord geen levende ziel. Jericho Blackwell, vooraanstaand lid van de Society for Psychic Investigation and Education, wordt teruggeroepen uit zijn met opium doordrenkte kluizenaarsbestaan om het ongeval te onderzoeken. Samen met de zenuwachtige archivaris John Dawkins ontdekt hij dat er zeker één iemand aan boord was, iemand die al tweehonderd jaar dood had moeten zijn. Wanneer een reeks beestachtige moorden een spoor trekt van Whitby richting Londen, beginnen Blackwell en Dawkins aan een verwoede achtervolging.

Blackwell is de vierde gothic novel van Kevin Valgaeren, en het eerste verhaal in een reeks over de mysterieuze onderzoeker Jericho Blackwell. Valgaeren levert opnieuw een stijlvolle historische thriller af met bovennatuurlijke elementen en boordevol ondraaglijke spanning.

Meer informatie over het boek kan u
hier vinden.

Valgaeren zetelt in jury Harland Awards

LOGO-Harland-Awards

De twee juryteams van de Harland Awards Verhalenwedstrijd zijn bekend gemaakt. De Harland Awards onderscheidt zich als de grootste prijs voor verhalen uit het Fantastische genre en kent elk jaar de prijs voor het beste Nederlandstalige fantastische verhaal toe. De toegezonden verhalen worden dit jaar in het specifiek beoordeeld op kwaliteit en originaliteit. De vakjury’s zullen in samenspraak de prijs van €1.000,- in april 2018 toekennen.

Al eerder maakte de organisatie bekend dit jaar met twee juryteams te gaan werken. De selectiejury bestaande uit drie experts zal de shortlist uit alle ingezonden verhalen samenstellen. De jury is bewust compact en gevarieerd in achtergrond. De juryleden hebben een expertise binnen de subgenres sciencefiction, fantasy of horror en zullen intensief met elkaar overleggen over de toegezonden verhalen en te geven feedback. De selectiejury bestaat uit Lisa Kuijvenhoven, hoofdredacteur De Futurist, Kevin Valgaeren, auteur van o.m. Seance en Abe van der Veen, verhalenverteller.

De conclaafjury kiest na de samenstelling van de shortlist middels een zitting het winnende verhaal. Er is gekozen voor een grote en gevarieerde jurysamenstelling waarin verschillende experts uit het boekenvak samenkomen. Op deze wijze zijn alle betrokkenen uit het boekenvak vertegenwoordigd. In het conclaaf zetelen acquierend redacteur bij Luitingh-Sijthoff Maarten Basjes, auteur en winnaar Harland Award Verhalenwedstrijd 2016 Roderick Leeuwenhart, auteur Tom Thys, professor literatuurwetenschappen Dr. Frank Brandsma (Universiteit Utrecht), Maria Postema, vertaler van o.m. The Hunger Games, Yves Delepeleire, redacteur bij de Vlaamse krant De Standaard, Monique Manshanden, boekhandelaar en bloggers Nanouk Meijer en Tim Rooijers.

De gekozen vorm van jureren stelt als doel om zoveel mogelijk verschillende experts een oordeel over de inzendingen te laten vormen en daaruit een weloverwogen winnaar te kiezen. Insturen van verhalen kan van 1 augustus 2017 tot en met 1 september 2017.
Meer informatie over de juryleden vind je hier.